Maandagmorgen op Urk

Urk, eens een eiland in de Zuiderzee, nu een dorp aan het IJsselmeer. Het Zuiderzeepad laat Urk links liggen en dus bezoek ik vandaag het dorp met een naam die in Tolkien’s Lord of the Rings niet zou misstaan.
Was
De vakantie is zo goed als voorbij als ik door het dorp dwaal. Het kan er druk zijn. Maar vandaag zijn er weinig toeristen op Urk. De was wappert in de wind, straatjes worden geschrobd. In het Oude Raadhuis is het Urker museum gevestigd. Ik ben de enige bezoeker. In een  filmzaaltje bekijk ik de film over Urk en haar geschiedenis. Het leven was hard op Urk. De meeste mannen waren vissers.  Rampen en epidemieën wisselden elkaar af. De Zuiderzee was grillig. Veel mannen en jongens bleven op zee.

Vuurtoren
Als op 28 mei 1932 de Afsluitdijk wordt gesloten houdt de Zuiderzee op te bestaan. De Urker vissers verleggen hun werkterrein naar de Noordzee. Met de inpoldering van de Noordoostpolder is Urk eiland af. In 1950 wordt het voormalige Noordhollandse eiland, Overijssels grondgebied. Vanaf 1986 hoort Urk bij de, dan opgerichte, Provincie Flevoland.

De vissersvloot van Urk is een van de modernste van Europa. Omdat de haven van Urk niet berekend is op grote vissersschepen komt de vis aan wal in de Noordzeehavens van o.a. Harlingen en Delfzijl. Vervolgens wordt de vis over de weg naar de visafslag in Urk vervoerd.
Na het bezoek aan het museum dwaal ik door de stegen. Bij de vuurtoren, op het hoogste punt van het voormalig eiland, probeer ik de contouren van Enkhuizen te ontdekken. Achter het Kerkje aan Zee, loop ik over het kerkhof. Het maakt een strenge indruk. Het Christelijk geloof vormt nog steeds de basis voor het leven op Urk. De gevaren van de visserij en de terugkerende armoede bevestigden keer op keer het besef van de nietigheid van het bestaan en de afhankelijkheid van Gods zegen. Ik loop nog even de supermarkt in en hoor een dialect, dat ik niet kan thuisbrengen. Het is mij duidelijk, dat Urk een verhaal apart is.
Beeld
Vissers die ’s weeks de zie bevaoren,
’t mit vloed in sturmen moeten klaoren,
eut d’ ofgroend wier in d’ oogte rezen,
in et verzinken vrezen,
die zien de wisseling van ’t lot,
de grooteid in de gunst van God,
zingen nao elke reaze ’t lied
dat van bewaoring wiet.

0e stark de skiepen kunen skenen,
zwaor de metor in lank de lenen,
wie bij “de muur” stat, kan et lezen
oe groot de nood kan rezen,
in die zicht in ’t onzieker lot
z’n diep’ of-anklikeid van God,
die zingt toch in de kark et lied
dat van Gods zegen wiet ?

(T. de Vries)

Zie ook: www.urk.nl

Advertenties